Het verschil tussen godsdienst, mystiek en verlichting
Verlichting is van oorsprong een ontdekking van Boeddha. Gautama was de man die een Verlichte werd, dat is een boeddha. Hij onderging de uitblussing, nirwana, van de begeerte, de angst en de 'struggle for life' en het ontwaken in een nieuw, verlicht bewustzijn.
Godsdienst is het aangaan van de relatie met de Eeuwige in de hoop hierdoor veranderd en bevrijd te worden.
Mystiek is een versmeltingservaring met het Al. Dat kan twee gezichten hebben; persoonlijk en onpersoonlijk. De onpersoonlijke mystiek wordt geeerd in India, in het Hindoeisme. De versmelting met het Al is een eenheidsbeleving met alles wat is, wat samenvalt met Brahman, het goddelijk principe dat de ware werkelijkheid in alle verschijnselen is. Dit is de godsbeleving van een immanente God, die in alle werkelijkheid aanwezig is. In het Hindoeisme ligt een spanning tussen het Al en het goddelijke daarin dat men wil ervaren, en de wens uit de totaliteit van het bestaande bevrijd te worden, het rad der wedergeboorte te doorbreken, en terug te keren in de schoot van Brahman. Men wil dus de eenheid aller dingen ervaren maar ook daaruit bevrijd worden om op te stijgen tot een hoger niveau.
De persoonlijke mystiek is bekend in Jodendom, Christendom en Islam. Hier is de mystieke ervaring een eenwording met de God van de Overzij, een transcendente God die van geheel andere orde is als onze materiele werkelijkheid. Door de transcendentie van God staat een toenadering tot God gelijk aan een vrij worden van het bestaande en de veelheid der dingen. De mystieke ervaring is als regel een eenmalig gebeuren van een ontzettende intensiteit. De nieuwe orientatie is persoonlijk gekleurd omdat zij verbonden blijft met een persoonlijke God, die door de mystieke liefdeservaring innig is geworden.